Indonesie 2017




3 weken nasi goreng, dat lijkt ons wel wat. Dus na aankomst op Jakarta Soeharno-Hatta pakken we een taxi naar het hotel, gooien onze koffers op de kamer en we gaan op zoek naar iets lekkers. Het lijkt erop dat ze hier niet gewend zijn dat mensen de benenwagen gebruiken dus het is een beetje zoeken naar veilge wandelpaden. Ondertussen omhelst de warmte je en komt, zelfs in de stad, overal de onmisenbare geur van specerijen en bloeiende planten op je af. Even later zitten we in een restaurantje en de menukaart ziet er meteen vertrouwd uit, net alsof we in Soest bij de toko zitten. Maar toch is het hier lekkerder, want het is niet in Soest en het is tropisch warm buiten.

Jakarta is een bruisende stad die we graag even verkennen. Niet al te lang want ongeacht welke stad, we zijn liever daarbuiten. Vlak bij ons hotel ligt in een park het Nationaal Monument. Dat heet hier ‘Monumen Nasional’ - volgens mij gaat het wel lukken met de taal hier. Hoewel het monument ons niet zoveel zegt is het erg leuk om hier rond te wandelen en de sfeer op te snuiven. Daniële valt niet zo op maar ik trek nogal wat aandacht en voordat ik het in de gaten heb sta ik bevallig te poseren op toekomstige erfstukken van een stel wildharige toeristen uit Papoea, een zwerm lagereschoolkoters en een roedel giechelende zestienjarigen.

Een paar jaar geleden is Daniële hier met haar familie geweest dus ze wilt een paar highlights nogmaals zien. Eén daarvan is de oude haven waar Pinisi’s liggen, de traditionele Indonesische vrachtschepen. We nemen een taxi die kant op en hebben best moeite met de chauffeur uit te leggen waar we willen zijn, ondanks smartphone met kaarten. Als we uiteindelijk uitstappen blijkt waarom, het is tegenwoordig helemaal geen toeristenbestemming. Bijna alles is verboden voor onbevoegden en we komen niet bij de schepen in de buurt. We lopen terug richting de stad en merken andermaal dat lopen hier geen gewoonte is. Even verderop ligt de oude Hollandse hefbrug die tegenwoordig Jembatan Kota Intan heet. Hij blijkt wat lastig te vinden en ligt er vervallen en verlaten bij - je mag er zelfs niet meer overheen lopen. We wandelen door en komen langs een kermis. Hier geen suikerspinnen en botsautootjes maar een reuzenrad. Of eigenlijk dwergenrad; er is plaats voor 5 kinderen, het wiel is maximaal 2 meter hoog en wordt met de hand rondgedraaid; erg leuk om te zien. Even verderop lopen we ineens op het Stadhuisplein van Batavia, tegenwoordig Taman Fatahillah Jakarta. Oude koloniale gebouwen en een gezellige drukte maken dit een aantrekkelijk plekje. We gaan lunchen bij Cafe Batavia tussen de lokale bourgeoisie met op de eerste verdieping een mooi uitzicht over het plein. Ondertussen hebben we behoorlijk wat rondgelopen dus we pakken de trein van Stasiun Jakartakota naar Stasiun Gambir. Het is ondertussen flink gaan regenen dus we pakken een tuktuk die eerst feilloos verdwaalt maar weet uiteindelijk het hotel te vinden.

’s Avonds wandelen we door wat winkelstraatjes vlak bij het hotel en kiezen uiteindelijk een leuk uitziend ‘Pandan’ restaurant uit. Geen idee wat dat betekent maar we zien wel. Op een of andere manier doen ze hier niet aan menukaarten en willen ze alleen weten wat we willen drinken. We kijken om ons heen of bij andere tafels bier of wijn staat; we zijn immers in een moslim-land. Helaas, dus we gaan aan de frisdrank. Even later worden er spontaan een paar bordjes met eten op tafel gezet. Het ziet er lekker uit dus het zal wel goed zijn en we willen beginnen als er ineens nog een paar bordjes bijkomen. En even later nog een paar. In totaal staan er ergens tussen de twintig en dertig bordjes op tafel! Het zal wel, we proberen gewoon van alles wat. Meestal is het erg lekker maar soms smaakt het een beetje naar dakpan maar je wilt het toch proberen. Uiteindelijk vonden we het erg geslaagd en vragen we de rekening. De ober komt met een memoblok en rekenmachine aan tafel staan en kijkt zorgvuldig alle bordjes na. Als er van gegeten is, schrijft hij het op. Wat blijkt, bij dit soort restaurants krijg je standaard de hele menukaart op tafel en je betaalt voor hetgeen je daadwerkelijk gegeten hebt. Briljant, en nog lekker ook.

We hebben besloten deze reis zoveel mogelijk met de trein te doen. Echt waar, geen gein. In de trein naar Bandung, onze volgende bestemming, zitten de treinen vol met niet alleen mensen maar ook kleinvee en boodschappen en kleine vracht. Je zit zo dicht op elkaar dat Tyrion Lannister (een dwerg, red.) er nog krapjes bij zou zitten en de temperaturen zijn hoog genoeg om je binnen tien minuten een knapperig korstje te geven. En hier moet je dan een halve dag in zitten. Gelukkig is er ook een andere trein, eentje waarvoor je online een ticket kunt kopen, in de stationshal inchecken met een scanner, en in de airconditioned coupé een gereserveerde fauteuille hebt. Voor minder dat een dagretourtje thuis in de Randstad. Deze treinen zijn verrassend modern en rijden goed op tijd; op de meeste trajecten is de trein vele malen sneller dan de auto door het ‘dynamische karakter’ van het Indonesische verkeer.

Bandung is de provinciehoofdstad is, toen het land nog Nederlands-Indië heette, gesticht door de Nederlanders en in begin 1900 aangelegd als tuinstad met veel groene lanen en parken. De meeste bewoners waren van goede komaf wat ook zichtbaar was in de gebouwen die vaak in de stijl van Frank Llyod Wright of Art-Deco werden gebouwd, voor die tijd erg modern. Ook nu nog zijn die gebouwen bijzonder om te zien. Jalan Brega (vroeger gewoon de Karreweg) is de belangrijkste winkelstraat en is leuk om doorheen te wandelen, sfeer te snuiven en een terrasje te pakken. We worden hier ook beiden gestrikt door een trosje Anglofobisten, oftewet schoolmeisjes die mensen in het Engels moeten interviewen een aangezien toeristen hier nogal zeldzaam zijn, zijn wij aangeschoten wild en aan ons de eer uit te vogelen wat ze eigenlijk zeggen want hun uitspraak van de Engelse taal levert nogal wat uitdagingen op. We pakken een taxi naar de andere grote trekpleister van het dorp, Jalan Cihampelas. Deze straat heeft een Skywalk over een groot deel van de straat waar echt heel weinig interessants verkocht wordt. Wel veel troep en eten, maar niets interessants. Deze straat staat bekend om haar vele Jeanswinkeltjes (en heet daarom in de volksmond Jeansstreet) maar Daniële heeft al moeite met een broek in haar maat te vinden (ze zijn hier allemaal maatje graatmager) en voor mij is er al helemaal niets. Als ik een leuk t-shirt zie en de grootste maat pak (XXL stond erop) komt deze tot net boven mijn navel en dreigt mijn armen af te knijpen.

Je kan hier trouwens een stuk makkelijker te voet door de stad dan in Jakarta. Dat levert dan wel weer nieuwe uitdagingen op, want hoewel de stad best schoon is en eigenlijk nergens zichtbaar vuil ligt is het ’s avonds wel oppassen. Als we over straat lopen moeten we ineens uitwijken voor een nestje ratten wat ons boos aankijkt als we dwars over hun stoep lopen. Maar je kan van alles leren en ik heb geleerd dat Daniële op precies dezelfde frequentie kan piepen als eerdergenoemde knaagdieren. Alleen wel wat harder.

We pakken de trein weer. Onderweg kijken we de ogen weer uit, het groene landschap glijdt rustig aan ons voorbij en we zien het plattelandsleven een stapje terug doen in de tijd. Ossekarren in de sawa’s en traditionele huisjes beheersen vaak het beeld. Wel apart dat veel van die huisjes met palmbladeren daken gewoon zonnepanelen hebben. Later blijkt dat dit vaak primair wordt gebruikt voor het opladen van de smartphone. Het uitzicht is adembenemend en we staren er uren naar. Gelukkig hebben we die tijd, want het is een volle dag treinen naar Yogyakarta. De sawa’s, palbomen en bergen doen mij sterk denken aan een televisieserie: ik verwacht elk moment het themamuziekje van Tour of Duty of M.A.S.H. te horen. Tegen het middaguur komen de stewardessen langs met een warme hap (nasi goreng natuurlijk) en ik waag mij eraan. Erg lekker en tot op heden geen last van de buik. We doen wel zuinig met drinkwater, niet omdat we te weinig bij ons hebben maar omdat verminderde inname van water ook betekent dat we hopelijk niet naar het toilet hoeven want dat ziet er weinig uitnodigend uit.

Als we de trein uitstappen gaat de hemel open. We worden door een auto van ons hotel gehaald en, ondanks dat hij binnen een halve meter van het afdakje parkeert, zijn we toch drijfnat als we in de auto zitten. Gelukkig is het warme regen en zal alles snel opdrogen. We slapen bij Alamanda Villa’s, de B&B van Frans Alamanda, een Nederlandse ex-hotelier die als pensioen een B&B begonnen is. Frans is enthousiast, spontaan en bijzonder energiek. Een heerlijke kletskous met veel kennis van de lokale alles, van toeristische attracties tot landelijke politiek. Hij zit er al jaren en is goed geïnformeerd. En niet bang deze informatie te delen; we maken dankbaar gebruik van deze kennis en vragen hem de hemd van het lijf. Of eigenlijk hoef je niet zoveel te vragen, Frans’ mond is als een spervuur van informatie. Hij neemt ons een paar keer spontaan mee op sleeptouw de stad in en brengt ons op plekjes die we anders nooit gezien zouden hebben. Zo staan we ineens bij een bakker – en lopen straal langs de balie naar achteren, de bakkerij in. Zo zien we hoe ze spekkoek aan het bakken zijn (er zit dus helemaal geen spek in). Het is er gloeiend heet maar het is mooi om te zien hoe de mannen daar met antieke materialen prachtige koeken staan te bereiden.

Frans vertelt ook over de welvaart van Java. Het eiland is eigenlijk erg rijk maar wist jarenlang het derde-wereldlandspelletje succesvol te spelen waardoor Europa en Amerika vooraan stonden die arme Indonesiërs te helpen. Maar armoede is hier vaak niet nodig, alleen is de politieke en bevolkingsklassensituatie zodanig dat het verschil tussen arm en rijk onnodig groot is. Ook rijdt echt iedereen op een nieuwe brommert maar zijn ze allemaal op afbetaling en als je brommert in beslag genomen wordt lease je gewoon een andere bij een andere leverancier. Of je betaalt niet en niemand die je kan vinden want er is toch geen sluitende basisadministratie van de gemeente dus wie weet waar jij woont? Frans neemt ons ook mee naar wat meubelfabriekjes. Onze handen jeuken om een paar containers te vullen en mee te nemen naar NL. Prachtige spullen, hallen vol. Weer een weetje van Frans: Als een van de meubelmakers een stoel verkoopt voor $100 dan is de prijs $100. Dus als je er tien koopt betaal je 10x$100. En als de stoel drie jaar in de showroom staat en niet verkocht wordt vanwege waterschade is hij nog steeds $100. En als je buren ook stoelen gaan maken, en precies dezelfde stoel bij vierendertig winkels in de straat nagemaakt wordt kost deze overal $100. Bijzonder vorm van ondernemersgeest hebben ze daar kennelijk. Wij verlekkeren ons bij de afdeling dagbedbankdingesen, nemen een paar foto’s en als we er ooit eentje willen hebben kan Frans een soortgelijke wel naar NL krijgen.

We bezoeken met ons tweetjes de binnenstad. Eerst naar de Kraton, het koninklijk paleis. Daar wordt juist gepingeld op een gamelan terwijl een als duivel verklede danser het muziekspel opleukt. Naast ons zit een Japanner met veel te ingewikkelde electronica het schouwspel via zijn beeldschermpjes te bekijken. Later wandelen we nog even door Museum Benteng Vredeburg. Wel bijzonder hoe de geschiedenis hier wordt weergegeven: men vertelt hier dat de Japanners de door Nederland bezette Indonesiërs kwamen helpen zich van het koloniale juk te bevrijden. Er wordt vluchtig verteld over het land tijdens het Nederlands koloniale bewind maar kennelijk bestond er daarvoor niets want daar wordt niets over verteld. Gelukkig ben ik geen historicus en is mijn geheugen nogal dun zodat ik niet al teveel gaten hoef te schieten in deze redeneringen. Volstaat het om te zeggen dat de weergave van deze geschiedenis in het Brombeek museum een andere lezing heeft van de hier gebeurde feiten.

’s Avonds wandelen we over Alun Alun Kidul, een grasveldpark waar iedereen een rondje wilt rijden in bijzonder verlichte fietsen. Het zijn allang geen fietsen meer, eigenlijk zelfgemaakte trapkarren meestal in de vorm van een VW-Kever of VW-busje waarbij alles, echt alles verlicht is met ledstrips. Een erg leuk gezicht en erg verleidelijk om een rondje mee te trappen. Prima te doen, mits je maximaal drie turven hoog bent. De belangrijkste straat is Jalan Malioboro. Deze straat is recent behoorlijk opgeknapt en voetgangervriendelijk gemaakt met onder andere een brede wandelboulevard. Hiervoor moesten de rijbanen wel plaats maken waardoor de straat nu nog alleen eenrichtingsverkeer is. Ook mogen brommertjes niet meer zomaar overal parkeren. Tesamen zal dit ervoor zorgen dat de meeste winkels hier weggaan want de klanten komen niet meer. De lokale klant wil zijn/haar brommert namelijk rechtstreeks naar de winkel sturen en niet moeten nadenken over eenrichtinsellende maar wil vooral de brommert voor de deur neerzetten en dat kan nu niet meer. De brommert moet naar een betaalde brommerstalling en dat is niet alleen te duur, dat is gewoon teveel moeite. Ik dacht dat dit een ietwat donker inzicht was maar navraag leerde dat dit echt zo is. Dit valt onder ‘instant gratification’ – als men hier iets wilt dan moet dat meteen. Dus naar een winkel en dat moet je voor de deur uitstappen. Niks lopen. Voor 100 meter pak je gewoon de brommert. Maar ook voor het eten: een restaurant waar je even moet wachten voordat je je bestelling kunt plaatsen of, erger nog, langer dan 2 minuten moet wachten op je bestelling kan hier alleen bestaan als het bestaat voor de toeristen. De lokalen willen meteen eten. Daarom zijn de Pandan-restaurants ook zo polulair. En natuurlijk de etenskarretjes langs de weg, even stoppen met de brommert en binnen een minuut kan je verder met eten in je linkerhand.

Voor ons is een belangrijk deel van deze reis het eten maar dan volledig zonder haast. We eten wel eens bij een stalletje (als we zien dat er voldoende doorloop is en de spullen vers lijken) maar meestal gaan we er rustig voor zitten en laten we ons vaak verassen met de meest lekkere gerechten. Zo heeft Frans om de hoek van zijn hotel ook een restaurantje neergezet. Een pitoreske route om er te komen, door de sawa’s , over een gammel bruggetje, maar dan kom je bij een toko die me een partij lekker kan kóken! Erg vriendelijk personeel, duidelijk onder training van Frans, en eten om je vingers bij af te likken. En je kan er rustig de hele avond over doen, dat is bij lokale eettentjes meestal anders.

We regelen ook wat uitstapjes via Frans. Hij stuurt ons met gids en auto naar de Borubudur, een tempelcomplex op een uurtje rijden van het hotel. We maken er een dagje van en vergapen ons aan de oudheden. We regelen een gids die ook een half woordje Nederlands spreekt en hij praat honderuit, vaak erg leuk maar vooral informatief.

Omdat we aan de rand van de stad zitten kunnen we toch ook prima wandelen en fietsen door de kleine omringende dorpjes waar de tijd heeft stilgestaan en waar allerhande ambachten, voor het huis zichtbaar, in de maak waren. Overal krijg je een vriendelijke glimlach toegeworpen. Een ander uitstapje is naar de Prambanan tempel. Er is verschil tussen de twee maar dat weet ik eigenlijk nu niet meer behalve dat de eerste veel meer letters heeft. Oja, je kan ‘s avonds bij de Prambanan-tempel een theatervoorstelling bijwonen die via beamers ondertiteld wordt zodat het klassieke stuk ineens begrijpelijk wordt. Echt een aanbeveling waard. Wij zaten binnen omdat het nog regenseizoen was en daar waren we in eerste instantie een beetje teleurgesteld over want als de voorstelling buiten wordt gehouden zie je op de achtergrond, dramatisch uitgelicht, de Prambanan tempel. Halverwege de voorstelling ging de lucht weer een stukje open en kwam er een massieve muur van water naar beneden. Blij dat we binnenzaten. Het leverde later wel een mooie foto op van de tempel met een onweersflits dramatisch door het beeld. Later leerden we dat, als de voorstelling buiten gehouden wordt, er veel meer plaatsen beschikbaar zijn. Als het dan toch blijkt te kunnen gaan regenen wordt de boel naar binnen verplaatst maar, doordat de capaciteit binnen veel kleiner is, moeten mensen met goedkope kaartjes wegwezen, daar is simpelweg geen plaats voor. We doen ook een hapje eten met onze gidsen. Het was even zoeken voordat we een toko vonden maar uiteindelijk zaten we best leuk met uitzicht op de uitgelichte tempel op de achtergrond.

Eigenlijk is Yogyakarta een prima uitvalsbasis voor een Java-vakantie. Via Alamanda kan je elke soort excursie regelen en weet je zeker dat je niet in een grote bus vol met wittekousencamera’s zit. Het hotel zelf is ook briljant: binnen de randweg van de stad maar toch tussen de sawa’s heb je leuke huisjes in alle rust en een zwembad maar ben je binnen tien minuten midden in de stad. Klinkt misschien als een commercial maar deze hut, en haar eigenaar, zijn echt de moeite waard. Vooralsnog heeft hij me ook niet betaald voor deze reclame 

We willen met de trein naar Surakarta maar dat gaat zomaar niet. Niet dat het moeilijk te regelen is maar Frans is een nieuwe jongen aan het opleiden en hij vindt dat hij maar eens moet leren hoe je in Surakarta komt en wij moesten dus gewoon instappen. Wij vinden het een prima idee en laten ons schaamteloos chauffeuren. Even buiten de stad stoppen we bij een oude suikerrietfabriek (waar we zelf echt nooit gestopt zouden zijn). Frans wandelt zo naar binnen en regelt ergens een gids die ons een rondleiding geeft. Het blijkt een werkende fabriek te zijn maar de machinerieën, en daarbij de hele fabriek, worden volledig gereviseerd. De machines blijken allemaal van Stork te zijn en komt uit eind 1800. Stoommachines, reusachtige vliegwielen, gietijzeren technisch uitziende onderdelen, eigenlijk is het allemaal best interessant. Er staan generatoren die ouder zijn dan mijn opa (en evenveel rook produceren) en het lijkt allemaal een museum – terwijl het een gewoon werkende fabriek is. We waaien ook even binnen bij de administratie om de oude vergaderverslagen in het nederlands door te neuzen. Dit ligt allemaal ongeïnteresseerd open en bloot en iedereen mag er kennelijk zomaar aanzitten. Wij doen dat dus ook en lezen bijvoorbeeld over de problematiek van de moslim- en christelijke arbeiders: ze willen op verschillende dagen vrij en men heeft lange vergaderingen nodig om dit op te lossen. Grappig hoe dat nog steeds actueel is – en triest dat we dat nog steeds niet kunnen oplossen.

We rijden door naar Surakarta. Dat verkeer hier is echt even wennen, het is nogal dynamisch. Niet agressief maar wel erg actief. We hebben van de week een ritje door de stad gemaakt waarbij 2 x schade werd gereden: de eerste keer reed een brommer door de bumper heen (logisch want we stonden stil) en even later sloeg een vrachtwagen die nogal dicht naast ons stond plots af waarbij het vergat dat zo’n ding uitzwaait dus kreeg de spiegel een rotklap zodat deze nu naar de eeuwige spiegelvelden vertrokken is. Niemand die daar maar iets mee doet, gewoon doorrijden. Elkaar de ruimte geven, ook al sta je zelf vast en wilt een auto voor je langs oversteken, is taboe. Als je meer dan een duimbreedte ruimte hebt wordt je geacht aan te sluiten en ander verkeer zoekt het maar uit. Stoepen en parkeerhavens zijn prima alternatieven voor rijstroken en spookrijden is een veelgebruikte manier om een paar seconden tijd te winnen. Onze chauffeur heeft net zijn rijbewijs en mag met ons als proefkonijn oefenen in het rijden met toeristen. Dat doet hij wat onwennig maar best goed, een stuk rustiger dan hij waarschijnlijk zou willen.

Onze aankomst bij het hotel is bijzonder. Je moet je voorstellen dat er twee toeristen uit een busje rollen met twee man lokale begeleiding en koffersjouwers en 1 grote blanka die de receptie even komt vertellen wat er allemaal moet gebeuren en dat we de kamer nog wel even moeten zien voordat we deze goedkeuren. Ze zullen wel gedacht hebben dat we een verloren tak van de Soeharto’s zijn. Gelukkig was de kamer prima en alles in orde. Frans en zijn jongens gaan weer verder, hij wilt ze nog allerlei marktjes laten zien die ze moeten weten om de volgende keer aan klanten te laten zien. Wij gaan in de schaduw genieten van een Sarsaparilla. Ik kende dat alleen omdat Daffy Duck dat wel eens bestelde en nu blijkt dat nog echt te bestaan ook! Het lijkt verdacht veel op Rootbeer maar is toch erg lekker en ze maken er hier lekkere drankjes mee.

Surakarta, ook wel Solo genoemd, staat bekend om haar Batik. Voor de mannen onder ons: dat is stof bedrukt met tweedehands stempels. Vrouwen vinden dat helemaal joepiedepoepie dus je ontkomt niet aan een bezoek aan het plaatselijke Batikmuseum annex –winkel. We zien hoe het gemaakt wordt (stof-stempel-drukken-herhaal) en wandelen door zalen vol voorbeelden want het blijkt dat elk dorp haar eigen batikstijl heeft, echt machtig interessant. Gelukkig kunnen we daarna ook nog wat batikshoppen dus mijn dag was helemaal goed. Waar is het bier?

’s Avonds vinden we een restaurant-achtige toko waar ze ramen-burgers verkopen. Hier had ik over gelezen, aan onze kant van de wereld maakt deze furore bij dure koks dus ik ben benieuwd. Het principe is dat je een hamburger maakt en het broodje vervangt door in broodjesvorm gedrukte gekookte en gebakken noedels. Dat zou best lekker kunnen zijn maar onze kok heeft nog geen Michelinster en is nogal fan van knijpflesjes met sauzen. Ik krijg een verzopen stapel vlees-noedels-nogwat voor me die qua smaak het midden houdt tussen een bbq-kipburger en een paraplu. Raar dus. Ondertussen probeert dat ding van mijn bord en tussen mijn vingers weg te glibberen dus heb ik alle aandacht nodig om het in mijn gezicht uit te drukken. Daniele heeft enkele satestokjes die ze verdenkt af te stammen van een hond. Niet alle eetervaringen zijn een succes. Het restaurant was trouwens wel leuk want het bestond eigenlijk uit allemaal kleine tentjes waar je overal wat kunt uitzoeken/aanwijzen/bestellen en je zo allerlei verschillende soorten eten op tafel kunt krijgen en iedereen iets totaal anders kan bestellen. En duur is het al zeker niet.

De stad is redelijk goed bewandelbaar. Oude wijken langs de rivier en leuke doorkijkjes worden afgewisseld door grote parken. We gaan een Pasar in (overdekte markt) en geven onze ogen en neus de kost. Prachtige kleuren, bijzondere geuren ( sommige daarvan heel lekker) en overal bedrijvigheid. Er zitten overal prachtige portretten van mensen, je zou hier de hele dag met je camera willen ronddwalen. Soms is het wat smalletjes of laag en bij de visafdeling glibbert de vloer een beetje maar het hele gebouw is een feest voor de zintuigen. Tientallen vrouwen zitten knoflook te pellen, visjes schoon te maken of groenten te wassen en allemaal zitten ze te kakelen met de buurvouw. We gaan buiten op de stoep zitten en eten een paar Salaks, ook bekend als Snakefruit. Dit peervormige fruit heeft een op slangenhuid lijkend jasje met binnen een heerlijke vrucht. Ondertussen gaat het straatleven aan ons voorbij en verbazen we ons telkens weer als er brommertjes voorbij komen waar een complete familie zich op geïnstalleerd heeft. ‘Safety third’ is hier duidelijk van toepassing. Ook duidelijk is dat alleen hele rare gasten zicht te voet door de stad begeven. Stoepen zijn soms niet te vinden, oversteken kan een uitdaging zijn en straten sluiten voor voetgangers niet altijd op elkaar aan. Maar toch is het goed te doen en vermaken we ons prima.

De laatste stad op Java is Surabaya. Eigenlijk alleen maar omdat het een vliegveld heeft vanwaar we naar Lombok vliegen maar we blijven er toch een nachtje extra slapen. Ons hotel ligt goed in het centrum maar ook hier is het lastig om je zonder auto te verplaatsen. Om bij een winkelcentrum vlak achter het hotel te komen moeten we ruim een kilometer slalommen, door een vage wijk en over een drukke snelweg wandelen, niet wat je noemt optimaal.
Het is de hoofdstad van de provincie en vroegâh was het de grootste stad van Nederlands-Indië, groterder nog dan Jakarta. We hebben het niet na kunnen meten maar geloven meteen dat het een grote stad is. Alleen niet ingericht op toeristen (anders dan Indonesische). Gelukkig kunnen we naar de sigarettenfabriek. Ja, écht wel. De lokale sigarettenfabrikant heet Sampoerna (niet te verwarren met de Soesterse afhaal-toko Sempoerna) en heeft, behalve een museum, een gratis rondrit door de stad. Wij maken daar graag gebruik van want gratis... Maar dan blijkt het nog leuk te zijn ook! We zijn de enigen die geen Bahasa Indonesia praten dus af en toe worden we door de gids bijgepraat. We maken een paar stops in de oude stad, wandelen door een paar wijken, bezoeken het gemeentehuis en stoppen uiteindelijk bij een museum. Iedereen slaat het museum direct over en loopt direct naar de etensstalletjes die zomaar spontaan klaarstaan. Wij wagen ons aan wat frisdrank, de hapjes die bereid worden, hoe aanlokkelijk ze ook ruiken, lijken een regelrechte aanslag op de immodiumvoorraad te beramen. Ook hier kan je heerlijk struinen over de pasars en kan ik mij makkelijk oriënteren omdat ik over iedereen heenkijk. Kennelijk is er ook net een dienstwisseling geweest in de sigarettenfabriek want ineens loopt iedereen in Sampoerna-uniform. In het museum hadden we deze in de grote zaal zien zitten waar ze met een paar honderd dames tegelijk nog met de hand sigaretten per stuk rollen, een baan waar ik snel helemaal gek van zou worden en zo te zien denken een aantal van de dames er hetzelfde over; sommigen lijken volledig doorgedraaid op hun werkplek te zitten. Er is een groot gebrek aan gezellige terrasjes in dit land. Ook hier zoeken we tevergeefs en moeten we uiteindelijk onze toevlucht zoeken bij een groot westers hotel. Daar kunnen we aan het zwembad een borrel scoren en genieten we van geen uitzicht maar wel een paar palmbomen. Als we weer richting hotel gaan worden we overvallen door een tropische hoosbij en de laatste paar honderd meter pakken we toch maar een taxi want het is niet normaal hoeveel nattigheid er uit de hemel valt.

Garuda brengt ons probleemloos naar Lombok. Het schijnt dat Lombok het Bali van twintig jaar geleden is, dus redelijk onbezoedeld door hordes zon, zee en ziekenhuisbezoekers. We zullen hier weinig van merken want we laten ons op het vliegveld opikken door een chauffeur die het hotel voor ons geregeld heeft. Hij loodst ons door het verkeer en na anderhalf uur staan we aan het strand om een boot te pakken naar het hotel op Gili Meno, een eilandje ter grootte van een stevige postzegel.
De boot dropt ons, heerlijk decadent, op het strand voor de deur van het hotel. Hotel is trouwens overdreven, het zijn een stel strandbungalows naast een restaurant zonder muren en een paar overdekte strandbedden. Maar het is wel paradijs op aarde. Ons huisje staat op het spierwitte strand, je loopt ’s ochtends met je snorkel zo het water in. Op het eiland is verdacht weinig te beleven en er zijn geen noemenswaardige faciliteiten of activiteiten. Het enige wat je hier kunt doen is een wandelingetje rondom het eiland maken (duurt een uurtje) en snorkelen (vanaf het strand of met een bootje). Honderd meter vanaf het strand is het koraal prachtig en kun je allerlei lekkers voorbij zien zwemmen. We zien zelfs een groep grote schildpadden ver onder ons, omringd door een groep scuba-duikers. Maar ook de rest van het volledige cast van Finding-Nemo is hier aanwezig. We wandelen elke dag een rondje, steken één dag zelf door dwars over het eiland (prima te doen, gewone paden met hier en daar wat huisjes en als je verdwaalt gewoon tien minuten rechtdoor lopen dan sta je aan zee) en snorkelen best vaak. Het restaurant van het huisje levert prima maaltijden maar die zijn wel wat meer op de westerse toerist afgestemd dan we de afgelopen weken in Java gewend zijn – maar lekker is het nog steeds. We raken hier ook verslaafd aan ananas-sapjes. 100% natuurlijk: gewoon een geschilde ananas door de pureermachine en genieten maar. Hier zouden we eigenlijk best langer kunnen blijven. Een paar jaar bijvoorbeeld. Het blijkt ook vaak voor te komen dat bezoekers die een paar dagen geboekt hebben uiteindelijk wekenlang blijven totdat ze door visum, ticket of ouders gedwongen worden om te vertrekken. Wij begrijpen dat nu wel – het leven is hier onwaarschijnlijk ontspannen.

Links en rechts van Gili Meno liggen nog twee Gili’s: Trawangan en Air. Air is voor gezinnetjes en Trawangan voor gehoorgestoorde backpackers en ander jong gespuis. Daar wordt veel gefeest en doordat de eilandjes slechts door een paar honderd meter zee gescheiden worden kunnen vakantiegangers aan de westkust van Gili Meno meeluisteren met de muziek aan de overkant maar gelukkig hebben wij daar geen last van want wij zitten aan de oostkust en die paar honderd meter extra palmbomen filteren het geluid voldoende.
Achter Gili Trawangan zie je Gunung Agung liggen, de vulkaan op Bali die eind 2017, een half jaar ná ons bezoek, tot uitbarsting is gekomen. Vooral tijdens zonsondergang is dit een indrukwekkend uitzicht en de wetenschap dat je dan kijkt naar een eiland waarop het toerisme vele malen drukker is dan waar wij zitten doet ons erg goed. Wij zijn echt oud geworden...

Dit was weer een reis om nog lang van na te genieten. Indonesië is een prachtig land waar je nog jaren op ontdekkingsreis zou kunnen gaan en daarom hebben we een aantal bestemmingen ook op Java bewust achterwege gelaten. We wilden relatief tempo doeloe reizen en voor ons doen hebben we dat ook gedaan; vooral het laatste weekje was even wennen, zomaar een hele week niets doen en niets kunnen doen, geen autootje huren of tripje doen om te kijken wat er achter de horizon ligt maar toch is dat erg goed bevallen.
Java was een belevenis. Gezellig druk, overal activiteit, en wat kunnen die gasten lekker koken. Overal kan je wel wat te eten vinden en bijna alles is oververukkuluk. Het platteland is prachtig om te zien en soms lijkt de tijd er wel stilgestaan te hebben en de steden zijn een mierenhoop van vriendelijkheid. Het is soms grappig om te zien waar de mensen hun prioriteiten leggen (scooter en smartphone zijn erg belangrijk) en als je wat verder doorprikt merk je dat de overheid hier en daar nog wel wat mag verbeteren en is corruptie een groot probleem. Maar overal waar we zijn geweest waren de mensen vriendelijk, hartelijk en gastvrij en wordt je overal met een glimlach welkom geheten.

Indonesië is eigenlijk een beetje thuiskomen.