Panama 2017




Zodra we het vliegtuig uitstappen weten we al dat het goed zit: het is goed warm en we ruiken een hint van bloemen. Direct daarna worden we geconfronteerd met het organisatorisch talent van de luchthaven: de rij voor de douane is zó idioot lang dat we de halve terminal doorlopen om het einde te vinden – door de douane komen duurt dus even. Maar daana gaat het soepeltjes: zodra we in de aankomsthal zijn bestellen we een Uber en binnen 2 minuten zitten we in een ijskoude auto die gemarineerd is in zoetbedwelmende ‘luchtverfrissers’.

Vanuit de auto doen we de eerste indrukken op: we rijden langs de Stille Oceaan over zoevend en voorlopig gatenvrij asfalt en zien aan de andere kant een door wolkenkrabbers gevulde skyline waar menig westerse stad jaloers op zou zijn. Het verkeer is ook interessant: de auto’s zien er netjes uit en rijden redelijk normaal. Oude Amerikaanse schoolbussen zijn erg populair – maar dan wel een beetje opgeleukt: het zijn rijdende kunstwerken, stalen canvassen die naar de smaak van de eigenaar beschilderd worden. Deze Diablos Rojos - Rode Duivels - hebben natuurlijk een beetje muziek aan boord zodat je ze kilometers van te voren hoort aankomen. Ook de verlichting is subtiel, vanaf de maan kan je ze zonder hulpmiddelen zien rijden. Mijn persoonlijke favorieten zijn de uitlaten: deze glimmende torens staan recht omhoog op de achterbumper en hebben conform officiële richtlijn een diameter van een stevige pizza.

Ons hotel is in Casco Viejo, een wijk die in zestienhonderdnogwat werd gebouwd toen de originele stad door pietpiraten vernield werd. De wijk doet ons sterk denken aan Havana - sommige gebouwen verkeren ‘in originele staat’, waarbij soms alleen nog maar de ruïnes van de buitenmuren staan en bomen door het dak en de ramen naar buiten groeien, terwijl daarnaast prachtig gerestaureerde panden staan. Ze houden hier wel van vrolijke kleuren zodat de wijk vaak een erg leuke en unieke uitstraling heeft. Ook hebben veel gebouwen rondom een veranda op de eerste verdieping, dat hebben we nog niet vaak gezien. De wijk is niet erg groot, met een paar uurtjes heb je hem uitvoerig verkend.
Tegen het einde van de middag zoeken we een van de vele dakterassen op. We hebben een leuk uitzicht over de wijk met aan de overkant van de baai de skyline van de grote stad. Om ons na zonsondergang niet teveel te verblinden heeft de wijk voor ons een keurige stroomstoring. De Panamisten zijn erg blij met onze komst want terwijl we van elkaar, onze borrel en het uitzicht genieten steken ze voor ons een vuurwerkje af: een prachtige volprofessionele show met klappen die verklaren waarom zoveel panden geen ruiten in de kozijnen hebben.

De uitlopers van het Panamese oerwoud lopen tot in de stad en we besluiten er een wandelingetje te maken. Het is prima toegankelijk en al snel lopen we midden in de jungle - een bijzondere ervaring want je hebt regelmatig doorkijkjes naar de grote stad een paar honderd meter verderop. We zien al snel ons eerste wild: mieren. En het is nog leuk ook want het zijn zgn. ‘Leafcutter-ants’ oftewel mieren die een stuk blad afsnijden en deze in vrolijke optocht naar hun nest brengen ter decoratie van hun mierenwoonkamers. Even later zien we een hert lopen; het is een Agouti wat nogal exotisch klinkt maar eigenlijk is het een grote rat. Het wordt even later nog spannender als we hoog in de bomen een kudde neusberen zien. Te ver voor de camera, maar deze wasbeervariant is voor ons een primeur en we voelen ons helemaal Freek Vonk. Terug in de stad komen we langs een vismarkt en we pakken een bordje heerlijk verse vis op een terrasje.

We hebben een paar nachten geboekt in www.junglelandpanama.com, een drijvende lodge midden in de jungle een paar kilometer naast het panamakanaal. Het is een onder toeristen vrij populaire dagtrip maar weinig mensen weten dat je er kan blijven slapen dus we zijn de enige nachtgasten. Onder leiding van enthousiaste biologie-stagiaires kan je hier van het oerwoud genieten tijdens kayak-, vis-, wandel- en boottochten. Zo komen we onderweg van Gamboa naar de lodge onze eerste leguanen tegen. Ook zien we een zwerm toekans maar begrijpen we van onze gids dat het zeer bijzonder is er meer dan twee of drie tegelijk te zien. Een stukje verderlop zit Pablo, een Pipi Lankous-aapje, moederziel alleen op een eilandje. Deze apen zwemmen niet dus hij is gedoemd tot een eenzame dood maar leeft daar relatief goed doordat de langskomende boten hem eten brengen. We hebben hier wel wat moeite mee, waarom lossen ze dit niet op? De aap is hier gekomen door op een toeristenboot mee te liften dus kunnen ze hem ook terugzetten op het vasteland. Hij is nu een eenzame toeristenattractie terwijl het sociale beesten zijn. We zullen later leren dat men hier een eigen denkwijze erop nahoudt.
We varen verder en de natuur is overdonderend prachtig. Af en toe ook overdonderend vochtig als we door een plaatselijke verpletterende hoosbui varen. We voelen alsof we over de Amazone varen. We zien twee keer luiaards door de bomen rennen en ik voel carrièretechnische inspiratie. We varen op een massieve wand van kamerplanten aan en net als ik denk dat we ons te pletter zullen varen blijkt er een doorgang te zijn en varen we ineens door een tunnel in een mangrovebos. Tien minuten later zijn we bij het drijvende hotel en maken we kennis met een familie Tamarinde-aapjes die op het eiland ernaast wonen. Deze blijken hetzelfde lot te hebben als Pablo, ze kunnen niet van het eiland af en zullen hier sterven zonder verdere voorplanting. Hun belangrijkste voedingsbron wordt ze dagelijks gegeven door de toeristenboten waardoor ze handtam en volledig afhankelijk zijn geworden.

De komende paar dagen vullen we met wat uitstapjes (kayak, wandel en boot) en genieten we van de stilte en afgelegenheid, de natuur en natuurlijk elkaar. Terloops maken we kennis met Carl, de Amerikaanse eigenaar. We maken ook kennis met twee van zijn huisdieren: een Boa Constrictor die dagelijks bepoteld wordt door bezoekers en een Nachtaapje waarmee hij ’s avonds langs komt. Beiden zijn wezen en kunnen niet meer terug in de natuur. Enerzijds een prima manier om mensen in contact te brengen met de unieke fauna van dit gebied, aan de andere kant zijn we zwaar uit ons hum omdat deze dieren gedoemd zijn tot dit leven: één keer per dag uit je kooi gehaald worden om beknuffeld te worden door de bezoekers.

Uitendelijk gaan we hier weer weg en moeten we terug naar de stad om onze auto op te halen. Op de rivier worden we getrakteerd op een buitje waardoor we tot op het bot nat zijn. Eenmaal terug in de stad blijkt de auto die we bij Sixt besteld en betaald hebben er niet te zijn en krijgen we een upgrade naar een auto twee klassen lager. De komende weken rijden we niet in een SUV maar in een Hyundai i20... Daar ga ik mij ná de vakantie eens uitgebreid lekker boos over maken.
Amerikanen die hier wonen hebben ons gewaarschuwd voor de hel, de absolute anarchie, het slagveld van het Panamese verkeer dus even later rijden we rustig de stad uit, niets aan de hand over ‘The Bridge of the Americas’ over het Panamakanaal en vervolgens zitten we zomaar op La Carrera PanAmericana - de weg van het Zuidelijkste puntje van Zuid-Amerika naar Alaska. Het zal geen verassing zijn dat onze Overland gedachten even afdwalen.

We rijden naar El Valle Antón. Niet helemaal foutloos want Panama blijkt navigatietechnisch een uitdaging te zijn: Tomtom verzint continu nieuwe wegen en onmogelijke routes. We moeten afslagen nemen waar in geen kilometers een afslag te vinden is en volgens tomtom zijn er geasfalteerde wegen waar wij alleen maar ondoordringbare jungle zien. Mapsme, OSMand en Here (Garmin) zijn marginaal beter maar verre van betrouwbaar. Onderweg slaan we even af voor een lunch aan de Stille Oceaan. Uiteindelijk aan in El Valle de Antón. Dit slaperige stadje ligt in de krater van een zeer actieve vulkaan die pasgeleden, 300,000 jaar, nog tot uitbarsting kwam. Wij leven graag op het randje dus dat risico nemen we gewoon. We hebben het briljante idee opgevat om een slapende indiaanse dame te beklimmen: La Indiana Dormida heet zo omdat de kraterrand, na het innemen van voldoende alcoholica, sprekend lijkt op het silhouet van een slapende dame. Hemelsbreed is deze wandeling nog geen twee kilometer dus dat doen we wel even. Helaas loopt het pad niet hemelsbreed maar slingert behoorlijk en ook de hoogtemeters dragen bij aan de avontuurlijkheidsfactor. We genieten astmatisch van een paar uitkijkpuntjes en na twee uur klauteren staan we bovenop de Indiaanse en hebben we een prachtig uitzicht over de vallei. We tweifelen over de terugweg (die we bijna helemaal kunnen zien liggen) en besluiten dezelfde weg terug te lopen. Alles is prima gemarkeerd en de route staat zelfs duidelijk op de navigatie-app Mapsme. We hebben wandelschoenen aan, eten en drinken bij ons en voelen ons goed voorbereid in dit oerwoud. Even later komen we een groepje giechelende schoolkinderen tegen die slechts in korte broek, t-shirt en teenslippers tegen de berg op stiefelen...

Ondertussen is mijn Spaans weer aan het opborrelen en kan ik soms lekker keuvelen met de lokale bevolking. Ik heb een heel gesprek met een restauranthouder die mij vertelt hoe het eten hier anders is dan in zijn geboorteland, Peru, en ook hoe het Kerstfeest anders is dan hij gewend is. Maar het kan ook zijn dat hij me verteld heeft dat de prijzen in de supermarkt erg hoog zijn en dat zijn nieuwe auto erg zuinig rijdt want zo vloeibaar is mijn Spaans ook niet.
Het is wel erg leuk om te eten in de lokale tentjes. Het eten is vers en snel klaar. Ook is het best goeiekoop en vaak hebben we gegeten en gedronken voor samen nog geen zeven dollar (Panama heeft geen eigen valuta meer en alleen de USD). Het eten is ook erg lekker als je houdt van kip met rijst en bonen - hopelijk komen we binnenkort een restaurant tegen waar zie iets anders serveren.

Fietsen is hier ook erg populair en we lenen een stel beachcruisers om de buurt te verkennen. Ze fietsen opvallend lekker en het is ook sportief dat het verkeer rekening houdt met de tweewielers. Eén van de meisjes van ons hotelletje werkt bij de lokale vlinderboerderij en we besluiten een kijkje te nemen. Erg leuk, we lopen een vlinderhuis in en worden meteen bestormd door een wolk van de meest uitzinnig gekleurde vleugels: blauw, oranje, rood; er zit zelf een transparante vlinder tussen.

Een voordeel van de vulkaankrater is dat er een microklimaat is dat aanzienlijk koeler is dan de omliggende gebieden. Het is hier dus een frisse 25 graden en dat maakt stevige wandelingen of fietstochtjes een stuk aangenamer.

Van El Valle Anton willen we naar Santa Fe rijden. Tomtom zegt dat dit prima binnendoor kan zodat we niet over de Panamericana hoeven te rijden, de realiteit zegt dat Tomtom van de drugs moet afblijven. Dit blijkt ook als de door Tomtom voorgestelde weg door recente regenval een meer blijkt te zijn. Als we in een behoorlijke 4x4 hadden gereden was het misschien gelukt maar in dit gebakje besluiten we om te draaien. Maakt eigenlijk ook niet uit, van deze kant ziet de omgeving er ook prachtig uit. De Panamese bergen, de vergezichten, de slaperige dorpjes en even slaperige inwoners, het is allemaal even mooi. Als we zo af en toe uit de auto stappen blijkt de airco het goed te doen, we hadden niet eens in de gaten dat het comfortabel in de dertig graden was. Maar als we in de buurt van Santa Fe komen gaat de temperatuur onderuit en is het ineens nog maar een graad of twintig. Zal wel met bergheuvels te maken hebben. We slapen hier bij een B&B net buiten het dorp, Coffee Mountain Inn. Vanuit de kamer en het terras hebben we een prachtig uitzicht op de bergen en op 1 plekje woont een bijna permanente regenboog. Het is ook apart om te zien dat deze veel dikker lijkt dan thuis, vooral het rood en paars zijn goed zichtbaar. We doen de rest van de dag niets behalve een boekje lezen op het terras. ’s Avonds gaan we voor de variatie Cambodjaans eten: rijst met kip!

Het valt trouwens op dat de taxi’s hier erg stoer zijn: Toyota Hilux pickups en de meeste zijn ook nog eens verhoogd. Dit blijkt nodig omdat veel mensen buiten het dorp in de bergen wonen en de wegen daar niet alleen erg stijl zijn, in de regentijd is het ook een ongekende blubberzooi en zijn dit soort auto’s gewoon noodzaak. Maakt mij niet uit, ik vind het gewoon mooi om te zien. We nemen zo’n taxi om ons een eind verderop ergens in de bergen af te zetten. Volgens de hoteleigenaar kunnen we dan een mooie wandeling maken. De taxi doet het klimwerk zodat de wandeling eigenlijk alleen maar bergaf is en dat vinden wij prima. De eerste paar kilometer van de wandeling lopen we door het oerwoud. We hebben het idee dat we buiten de bewoonde wereld lopen maar het blijkt dat we gewoon over een ‘begaanbare’ weg lopen want we zien af en toe bandensporen in de modder. Wel knap want ik had het pad allang onbegaanbaar verklaard. Overal staat prachtig hardhout en kabbelen heldere bergbeekjes. We horen prachtige vogels (maar zien ze niet) en genieten weer met volle teugen. Na een tijdje blijkt dat we langs een dorpje lopen want er is ineens een voetbalveld. Raar, want huizen zien we nauwelijks, maar er zal wel gebruik van gemaakt worden. We komen het bos uit en hoeven alleen nog maar 1 straat uit te lopen voordat we weer in het dorp zijn. Deze straat is wel een paar kilometer lang maar dat is de uitdaging niet. Dat is de steilheid; we zijn blij dat we alleen bergaf hoeven te lopen want het is niet te geloven hoe steil dit afloopt. Je hebt het idee dat, als je uitglijdt, je niet stopt met rollen totdat je in het dorp bent. En hoe steil het ook is, er wonen gewoon mensen die deze weg op hun nette kakkies lopen terwijl wij ons amper staande kunnen houden op ons stoere wandelschoeisel. Maar het is hier wel weer mooi en zwaar rustgevend. Bij terugkomst in bet dorp schuiven we aan bij de gebroeders Pineda, wie kent ze niet, die hier een restaurantje runnen. De keuken is daadwerkelijk binnen, de rest heeft alleen een soort van dak zodat je droog en in de schaduw zit. We eten, je raadt het al, kip met rijst en bonen.

Het leven in Santa Fe gaat een stukje kallemer an. Het dorpje is nog niet echt gewend aan toeristen en dat is best lekker. De mensen zijn vriendelijk en groeten elkaar nog op straat, de winkels zijn eenvoudig maar hebben alles wat je nodig hebt, en internet is hier vrijwel afwezig. Heerlijk.

In tegenstelling tot Boquete. Dit dorpje was vroeger misschien wel slaperig maar tegenwoordig is het gevonden door las turistas. Veel Noord-Amerikanen (Grongo's) wonen hier, zowel werkenden als pensionado’s, en dat merk je. Veel restaurants zijn gericht op Amerikanen en veel blauwharigen in korte broeken. Aan de ene kant fijn dat we eens iets anders kunnen eten dan kip met rijst. Maar wat maken die gasten een herrie. We zitten in een restaurant met nog geen 20 man en het is een herrie alsof de hele F-side naast ons zit. De herrie komt uiteindelijk zelfs van maar 2 tafeltjes Amerikanen, als deze weggaan is het ineens bijna stil.
Boquete ligt tegen vulkaan Baru (die inmiddels met pensioen is) en is de belangrijkste attractie van het dorp. We kunnen op twee manieren de vulkaan beklimmen: midden in de nacht opstaan om zonsopkomst aan de kraterrand te bekijken of met een 4x4 naar boven. Dat eerste gaat niet gebeuren en het tweede hadden we eigenlijk geen zin in. In plaats daarvan hebben we een van de vele wandelroutes langs de vulkaan gepakt. Weer zo’n prachtige route die we in volle bepakking en compleet voorbereid gedaan hebben om vervolgens halverwege lokalen aan te treffen die het op flipflops aan het doen zijn.
Toch zullen we het zo blijven doen - juist in dit dorp: een paar jaar geleden zijn twee Nederlandse meisjes hier gaan wandelen, van het pad geraakt, verdwaald, een beetje gewond geraakt en een paar maanden later zijn, tientallen kilometers verderop, wat spullen gevonden. Van de meisjes zelf slechts wat restjes, de rest is verzwolgen door de jungle.

Ons hotel staat 3 kilometer buiten het dorp. Het blijkt dat er nogal wat microklimaten zijn: het dorp krijgt niet zoveel regen maar bij ons hotel hoost het bijna elke dag de hele dag. We hebben een dagje vogelspotten geboekt bij een Nederlandse naturaliste, Terry, maar de hele nacht liggen we wakker van het noodweer, denkende dat het dagje niet door zal gaan. Niets is minder waar, als we met Terry wegrijden is er binnen 5 minuten niets te merken van het noodweer en we hebben een prachtige zonnige dag. Volgens Terry is dat normaal hier en kan je redelijk goed voorspellen waar het de hele dag gaat regenen en waar je lekker droog en in de zon zit.
Het vogelspotten is trouwens best leuk. Niet dat wij doorgewinterde vogelaars zijn dus we geven ook aan dat we blij zijn met elke sijs die een beetje kleur heeft. Dat is dus gelukt, we zien zelfs hoe een kolibri een nestje aan het bouwen is op een tak. Het bouwmateriaal is spinnenweb! De rest van de ochtend zien we steeds meer vogels en vooral Terry ziet en benoemt ze allemaal – waardoor gesprekken met haar nogal onderbroken zijn maar dat is logisch als je zo’n tripje boekt. Gelukkig heeft Terry de namen en aantallen opgeschreven van alle 85 vogelsoorten die we gespot hebben zodat we later kunnen achterhalen wat we allemaal gezien hebben. Leuk was het in ieder geval wel!

We rijden weer een stukje verder. Onderweg is het weer eens prachtig. De wegen zijn vaak best goed maar je moet wel blijven opletten want ook hier werken gatengravers overuren. Als we bij grote steden komen zijn er winkelcentra en drukte, daarbuiten hebben we het rijk alleen. Iedereen heeft ons gewaarschuwd voor de corrupte pliesies maar we hebben er geen last van. Soms zijn er controleposten maar die willen meestal alleen even in de auto kijken en één agent wilt zijn talenknobbel kietelen: we praten Spaans, Frans, Duits, Engels en ik geloof ook een beetje Italiaans. Verder is hij supervriendelijk en we kunnen al snel doorrijden. We zien wel veel (echt heel veel) pliesies met een lasergun maar daar hebben we een slimme oplossing voor bedacht: we rijden niet te hard. De juiste snelheid rijden blijkt trouwens wel een beetje een puzzeltje: als er staat dat je zestig mag rijden en je rijdt er met zijn allen tachtig dan is dat voor de pliesies met lasergame geen reden om iemand te bekeuren. Mij benieuwen wanneer ze dat wel doen. Maar goed, wij zijn niet aangehouden dus niets aan het handje.

We verlaten het oerwoud en zetten koers voor het strandleven. Onderweg naar Santa Catalina komen we de laatste twintig kilometer vrijwel niet uit de tweede versnelling omdat we de gaten in de weg moeten omzeilen. Bovendien worden deze gaten altijd precies in de schaduw van bomen geplaatst zodat je ze nauwelijks kunt zien. Daniële heeft af en toe tijd om naar buiten te kijken en het blijkt dat we door koeienland rijden. Overal grote boerderijen en veel cowboys, al zullen die hier wel Ranchero’s of zoiets heten. Het is ook grappig om te zien hoe men overal kerststalletjes plaatst. Je verwacht ze bij winkelcentra en op dorpspleintjes, maar we zien ze nog veel vaker op de veranda’s van de huizen. Dat is vaak best raar, dan rij je langs een klein huisje, schattig roze geverfd, en de eigenaar heeft daar op een of andere manier een op een kerststal geïnspireerde inrichting gemaakt. Vaak knullig, soms knap, maar altijd uitbundig. Kennelijk hield Jezus van veel goud en glitter, en flitsende lampjes in alle kleuren. Aan de andere kant, zo zien bij ons de kerstversieringen er ook steeds vaker uit dus het zal wel kloppen.

Als we aankomen blijkt dat het hotel alleen per 4x4 bereikbaar is - niet vanwege modder maar omdat de weg naar boven zo idioot steil is dat gewone auto’s er gewoon niet tegenop komen. Helaas zal blijken dat we hier minimaal twee keer per dag tegenop zullen moeten lopen, wat al snel kramp in de gluteus maximus oplevert.
Het hotel ligt er trouwens prachtig bij. Het ligt op een paar honderd meter van zee maar doordat het bovenop de heuvelberg ligt heb je vanaf het zwembad een prachtig uitzicht. Isla Catalina ligt vlak voor de kust en op de horizon zien we Coíba liggen, een groot eiland (50km doorsnede) wat tegenwoordig een natuurreservaat is (niet al te lang geleden was het nog een gevangenis). Santa Catalina is een bijzonder plaatjse. Het ligt prachtig maar is eigenlijk nog helemaal niet ontwikkeld. Er zijn 2 restaurantjes aan het water, een paar barretjes, veel Scuba- en snorkeltochtjesregelaars, en veel hostels voor surfers en aanverwante hippies. Je zou verwachten dat je op zo’n droomlocatie meer faciliteiten had maar door het gebrek hieraan is het juist een pure, onverwesterde en vergeten hoekje op aarde. We huren een zeekayak bij een Canadese Surferdude en mikken op Isla Catalina, een verlaten eilandje een kilometer verderop. Ze hebben stiekum toch een stevige branding aangezet wat voor ons, eerste keer in zo’n ding, toch even spannend is. Maar even later zitten we op een verlaten tropisch eiland, helemaal voor ons alleen, alweer te genieten.
Kerst vieren we dit jaar op gepaste wijze - een snorkeltripje naar Coíba. We stappen in een veel te klein bootje en gaan anderhalf uur de Stille Oceaan op. Dat klapt en stuitert best wel maar onderweg zien we onze eerste dolfijnen en dat maakt veel goed. We doen deze dag 4 stops bij verlaten eilandjes in het Nationale Park: drie om te snorkelen en 1 om te lunsen. Tijdens het snorkelen volgen we de hoofdbellenblazer die de mooiste rifbewoners aanwijst: schildpadden, murenes (soort zeeslang), naaldvissen, en de halve cast van Finding Nemo. Al vrij snel laat hij ons ook haaien zien! Het duurt niet lang of ik haal even diep adem en duik achter hem aan om er zo dicht mogelijk bij te komen. Even later wordt het nog gekker als we een Goliath Grouper tegenkomen, een tandbaars die tot 600kg schoon aan de haak kan opleveren. Dit is een pubertje van zo’n 250kg maar ziet er toch indrukwekkend uit. Onze gids kan zijn adem trouwens ridicuul lang inhouden en hij heeft last van humor dus af en toe zit hij op de bodem selfies te maken met murenes en haaien. Tijdens de lunch worden we vergezeld door aasgieren die hopen dat een van ons ter plaatse overlijdt of misschien een stukje lunch met hem deelt. Niemand die zich daar druk over maakt maar er wordt ons op het hart gedrukt om niet bij de river te gaan kijken want daar zitten zoutwaterkrokodillen en die snacken bij gelegenheid wel van toerist. Dus gaan we daar even kijken maar het enige wat ik kan zien is een schielijk wegduikend setje krokodillen-ogen. Het laatste rondje snorkelen gaat weer om een klein eilandje en we zien alles weer voorbij zwemmen. Wanneer we over een dieper gedeelte zwemmen zien we een enorme school verdwaalde diepzeevissen. Ik duik er middenin en onze gids gaat er zelf helemaal onder zitten, prachtig om te zien! Opeens horen we een ontzettend kabaal, niet normaal wat een herrie! Als ik mijn hoofd boven water steek zie ik op een paar honderd meter de Star Clipper liggen! De boot waarop we in 1999 onze huwelijksreis hebben gemaakt! Rubberbootjes zijn vanuit de clipper onderweg naar ons eilandje om de gasten een 'spontane' bbq-lunch op het strand aan te bieden – net zoals ze bij ons deden op een net zo verlaten eilandje ergens in de bovenwindse Caraïben.
We varen weer anderhalf uur terug naar Santa Catalina waarbij we de laatste paar honderd meter in een genadeloze hoosbui varen. Niet normaal zo hard het regent, we zien letterlijk nog maar een paar meter van ons af. Via duistere magie en puur geluk weet de kapitein het goede strand te vinden en we lopen compleet verzopen, nog steeds in de warme regen, naar het hotel.
Als het opdroogt zitten we nog even in het gras te genieten van de zonsondergang als er een spin voorbij komt gewandeld. Prachtig om te zien en ook indrukwekkend, een vogelspin zo groot als een ontbijtbord. We schieten wat foto’s en filmpjes en ik duw hem af en toe een beetje vooruit voor mooiere film. Later, voor onze kamer op de veranda in de hangmat, genieten we van hele emmers vol dure parkieten en ander Artis-gevogelte wat hier zommaar rondfladdert. Tijdens kerstavond hebben we afgesproken te gaan eten bij Mama Ines, een grappig hotel/restaurant aan het water van twee broers die geen idee hebben wie Ines is. Ondanks afspraken blijkt de kaart toch serieus beperkt omdat de kok druk is met het buffet voor de reguliere hotelgasten maar we kunnen een prima hap regelen. We blijken de laatsten want aspirant-gasten na ons worden weggestuurd met de mededeling dat de keuken toch besloten heeft vandaag gesloten te zijn. Je zou bijna denken dat we in Afrika zitten.
Na een paar dagen rijden we door naar onze laatste bestemming: Pedasí. Daarvoor moeten we natuurlijk de GroteGatenSlalom weer doen maar deze blijkt een stuk korter dan vorige keer, men is namelijk druk bezig gaten te vullen en de weg te herasfalteren. Dat zullen ze leuk vinden in het dorp want het was er op sommige vlakken nogal primitief (er is bijvoorbeeld nauwelijks internet en er is geen pinautomaat noch benzinestation) en de volgende stad was tien jaar geleden nog 6 uur rijden, als de weg weer gerepareerd is kan je er binnen een uurtje zijn.

We rijden weer een stukje PanAmericana voordat we rechtsaf slaan en mikken op Pedasí. Dit is eigenlijk net zo’n vergeten stukje land als Santa Catalina. Toerisme is nauwelijks ontwikkeld maar het is wel up and coming. Er zijn dus genoeg restaurantjes (onder andere een hele goeie Italiaan en een redelijke Mexicaan gerund door een Zwitserse met een Duisterse kok) en overal zie je hotelletjes en pensionnetjes. Maar de stranden zijn leeg: geen strandtenten, restaurantjes of barretjes. Dat vinden we natuurlijk helemaal niet erg, we regelen een lunchpakketje en een parasol – anders verbrand je werkelijk levend - en we hebben een heerlijke middag. De golven beuken met groots geweld op het strand, pelikanen komen soms alleen en soms in grote groepen voorbij zweven en we zien ze zelfs vaak in zee plonzen om een visje te scoren. Ook zwabberen er veel zwartwitte fregatvogels door de lucht. Venao Beach schijnt de moeite waard te zijn dus we rijden er even heen. 33 kilometer en daar doe je anderhalf uur over dankzij het waanzinnig toegetakelde wegdek. Gelukkig kom je dan wel op een hele rare plaats terecht. Een paar grote hotels in TexMex stijl met veel leem en aardetinten, een strandrestaurant met palmbladerendak metzonder muren en een duur restaurant dat bijna niets op voorraad heeft. De branding ligt wel vol surfers die in ietwat flauwe golfjes hun eerste wave-faceplants oefenen. Het gebied is flink in aanbouw want overal zijn nieuwbouwprojecten opgestart dus wellicht is het over een jaar of twee goed toeven. Wij crossen stapvoets terug naar ons eigen zwembadje.

Pedasí is een leuk dorpje. Mooie en leuk geschilderde koloniale huizen, een dorpspleintje met een kerkje en tropisch kerststalletje, een paar kleine supermarktjes, en mensen die elkaar groeten op straat - hier is geluk heel gewoon. Zelfs wij worden vriendelijk Buenos Goedemiddag gewenst. Het landschap is weinig uitdagend (we zijn de bergen allang uit) en het gebied leeft vooral van de veeteelt dus je voelt je als toerist geen wandelende portemonee, erg fijn om doorheen te wandelen. Bovendien is de temperatuur erg lekker, het heeft al een paar maanden niet geregend (vinden wij wel leuk maar de lokalen niet) dus de laatste nacht giet het van de hemel. Dat geluk hebben wij wel vaker.

Nog een klein stukje maar toch zes uur rijden verder en we zijn weer bij Panama-stad. Althans, er is een beetje file dus we doen er wat langer over. Kennelijk gaat de hele stad op 30 december de stad uit dus de banen van de tegengestelde richting staan muurvast. Wij moeten hier wel een beetje om gniffelen totdat wij ook ineens in de file staan. Wat blijkt, verkeer richting de stad – wij dus – moeten 1 rijstrook inleveren ten gunste van de stadsverlaters! Dat levert dus alleen maar ellende op want de stadsverlaters moeten later gewoon weer terug invoegen naar 2 rijstroken, maar nu hebben wij er ook last van en het duurt best idioot lang voordat we weer een beetje rijden. We willen over de “Bridge of the Americas” de stad binnenrijden maar deze is nu geheel en alleen voor tegengesteld verkeer dus we moeten over de veel nieuwere “Puente Centenario” de stad binnenrijden. Niet erg want dan komen we langs de sluizen van het Panamakanaal, de Miraflores-locks, maar ook hier is het veel te gezellig op de weg en staan we veel te lang stil. Uiteindelijk komen we bij het Panama-Canal Visitor Centre en kunnen we de sluizen bekijken. Ze hebben keurig tot onze komst gewacht voordat ze begonnen met het schutten van een handjevol zeeschepen, dat vonden wij natuurlijk erg klantvriendelijk van ze. Daarnaast was het een erg indrukwekkend gezicht. Op één van de schepen zat de bemanning nota bene selfies te maken met ons op de achtergrond. En dan wilde hij ook nog dat we een wave voor hem gingen doen maar dat lukte niet.
Het is daar trouwens wel groots aangepakt, er zijn vier verdiepingen met tribunes voor bezoekers en binnen een grote informatieve expo, best de moeite waard om eens te bezoeken als je toevallig in de buurt bent.

Ons hotel ligt aan het Panamakanaal met uitzicht over de Bridge of the Americas. Daarmee is wel het beste over het hotel gezegd want, hoewel niet slecht, is het een grote slaapfabriek en het tegenovergestelde van de gezellige pensionnetjes waarvan we de laatste weken genoten hebben. Gelukkig zitten er wat restaurantjes in de buurt en hoeven we hier maar 1 nachtje te slapen voordat we morgen weer terugvliegen naar Nederland. Geheel onverwacht blijkt dat, als we onze kamerramen openzetten, we een prima uitzicht hebben op een stukje bos waar continu weer allerlei vrolijk uitgedoste vogels langsvliegen en we hebben ook nog een behoorlijk uitzicht op het kanaal. We wandelen even later langs een vreemde boulevard door een nog vreemdere wijk (Amador). Op de boulevard wordt druk geflaneerd door lokalen en overal zijn mensen aan het fietsen, rollerbladen, wandelen of hardlopen. Maar de boulevard heeft iets Cubaans: vervallen en vrij van elke vorm van bewoning of exploitatie. Langs de boulevard en door de hele wijk staan gigantische gebouwen, grootse koloniale panden, verlaten, leeg en vervallen. Slechts een paar panden zijn bewoond en dat maakt het allemaal nog surrealistischer.
De laatste dag pakken we de laatste zonnestralen aan het zwembad en checken uit als het gaat regenen. We besluiten nog even langs de Albrook Mall te gaan, een shopping mall zo groot dat het zelfs zijn eigen hotel heeft. Ik pak daar mijn laatste burrito en dan rijden we naar de luchthaven. Omdat bij aankomst de Uber rit ons ruim 2 uur kostte nemen we ruim de tijd maar omdat iedereen kennelijk de stad is uitgereden is het spookachtig rustig op de weg. Onderweg nog even een buitje gehad dus we reden weer een stuk stapvoets over de snelweg. Niet vanwege file maar ridicuul heftige regen. En ineens ging de kraan uit en reden we in de zon zodat we de auto droog konden inleveren.

Toen we het vliegtuig instapten wenste de stewardess ons een gelukkig nieuwjaar: tien minuten geleden was het in Nederland middernacht. Dat waren we vergeten, hier was het even na zes uur ’s middags en we waren nog niet zo van de klok.

Wat vonden we van Panama?
Panama vinkt best veel vakjes aan.
Een prettig klimaat waarbij je in het regenseizoen voldoende mogelijkheid hebt om de regen te ontwijken –-of je erbij neer te leggen dat de regen maximaal twee uur duurt.
Redelijk betrouwbare infrastructuur- de wegen zijn best vaak goed en de stroom is best vaak aan. De huizen zien er prima onderhouden uit en zijn niet al te duur.
Vriendelijke mensen: veel spreken Engels, maar Spaans is niet zo moeilijk dus communicatie is geen probleem. Mensen groeten je op straat en willen je graag helpen.
Toerisme is wel aanwezig maar niet overheersend. Er zijn nog genoeg onontdekte plekjes waar het leven wat rustiger is en de mensen voor elkaar tijd hebben. Panama is een veilig land. Weinig (voor ons merkbare) criminaliteit, politiek stabiel en geen last van externe ellende.
Eigenlijk zouden we hier best kunnen wonen. Maar dat zal nog wel even niet.